Het Huwelijk

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

(Het Huwelijk, 1910)(1)

Dit is de bekendste strofe uit Elsschots gedicht ‘Het Huwelijk’. Michael Pas bracht het volledige gedicht op een meesterlijke wijze tijdens Winteruur. De volledige tekst kunt u hieronder terugvinden.


Michael Pas brengt ‘Het Huwelijk’ in Winteruurideo (VRT.be)


Simon Carmiggelt over zijn ontdekking van Elsschot en ‘Het Huwelijk’ (Youtube)

Elsschot schreef de meeste van zijn gedichten – en ook wel de beste – aan het begin van zijn literaire carrière.(2) Zo ook ‘Het Huwelijk’, dat niet ging over zijn eigen huwelijk, maar over dat van zijn oom Filip Van Elst van Blauberg met zijn tante Bernardina Willekens.(3)

Het gedicht Het Huwelijk kondigt het boek De Verlossing aan. Hierin gebruikte Elsschot zijn bezoeken in zijn jeugd aan zijn familie in Blauberg als inspiratiebron.(4)

De Verlossing opent met de beschrijving van het huwelijk van Filip Van Elst (Pol Van Domburg) en zet er meteen de toon van, die ook terug te vinden is in ‘Het Huwelijk’:

Van Domburg had zijn vrouw pas getrouwd toen zij al zwanger was.
Bij ’t verlaten van de kerk stiet hij op een oude kennis, een man die met een paar meisjes een kroeg hield, die anders overdag sliep omdat hij ’s nachts tapte, en die altijd naar jenever stonk.
Na Desideria te hebben aangekeken had hij Van Domburg lachend door elkaar geschud en gezegd:
‘Heb je de koe dan tóch getrouwd, kameraad? Dan heb je ’t kalf ook, hoor!’(5)

Zoals zovele schrijvers startte ook Elsschot zijn literaire carrière met poëzie. Maar in een interview moest hij toegeven dat hij in de eerste plaats een schrijver van proza was:

Ik heb nooit concessies kunnen doen aan de vorm, ten nadele van de inhoud. Steeds staarde ik mij blind op wat ik wilde uitdrukken, zodat menig gedicht onafgewerkt bleef omdat ik het rijm slechts had kunnen vinden indien ik mij gedeeltelijk had losgemaakt van de inhoud.(6)

Binnen het literair werk van Elsschot is zijn poëzie een buitenbeentje. Maar zijn verzen zelf waren in de periode dat ze gemaakt werden ook een buitenbeentje. In tegenstelling tot collega’s hield hij vast aan rijm en cadans en vaak zat de techniek niet perfect in elkaar. En hij ging niet op zoek naar de psychologie van het individu of de spanning tussen het individu en de stedelijke omgeving zoals vele dichters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Elsschot gebruikt huiselijke thema’s in zijn verzen en kruipt vaak in een personage. Net zoals hij dit doet in zijn (latere) proza. Er is een nauwe band tussen beide of zoals de schrijver het zelf formuleerde: “Zijn mijn gedichten dus een beetje prozaïsch, dan hoop ik daarentegen in mijn proza enige poëzie gelegd te hebben.”(7) Deze band is goed terug te vinden tussen het gedicht ‘Het Huwelijk’ en zijn boek De Verlossing.

Elsschots eigen huwelijk

‘Het Huwelijk’werd geschreven in 1910, toen Elsschot werkte en woonde in Rotterdam. De periode in Rotterdam betekende een rustpunt in het leven van Alfons De Ridder. De schrijver in zichzelf kwam daardoor terug naar boven om de rusteloze eerste dertig jaar van zijn leven van zich af te schrijven. Hij was immers in zijn jeugd van de middelbare school gestuurd wegens wangedrag. Alfons De Ridder doolde daarna door Antwerpen als bohémien-dichter met verschillende kleine kantoorbaantjes. Hij had op zijn achttiende Josephine (Fine) Scheurwegen, de vroegere hulp in de bakkerij van zijn ouders, zwanger gemaakt én laten zitten met hun zoon Walter. Alfons De Ridder was dan toch maar serieus gaan studeren (om aan de vaderlijke plicht te ontsnappen?) maar nam ook serieus deel aan het liederlijke studentenleven. Na zijn studie ging hij niet zorgen voor vrouw en kind. Hij ging werken voor een Argentijnse charlatan-zakenman in Parijs waar hij een avontuurtje had met een kamermeisje.(8) Pas na zijn Parijse avontuur en nadat hij een job gevonden had op de Rotterdamse scheepswerf Gusto was Alfons De Ridder klaar om zich te settelen. Hij huwde eindelijk met Fine op 8 augustus 1908 te Berchem. Hij erkende zijn zevenjarige zoon Walter en het gezin ging in Rotterdam wonen.(9)

Alfons De Ridder gebruikte de schuldgevoelens over zijn daden als bron voor de literatuur van zijn literaire alter ego Willem Elsschot.(10) In Rotterdam schreef hij zijn eerste boek Villa des Roses gebaseerd op zijn avonturen in Parijs.

Dat hij spijt had, is ook te lezen in het beginvers van het liefdesgedicht ‘Aan Fine’ dat Alfons De Ridder publiceerde in april 1901, nog onder eigen naam, in het bohémien-tijdschrift Alvoorder.(11)

Ik heb u altijd zoveel leed gedaan
mijn mager lief en u toch zo doen lijden;
ik heb u steeds de vrome vree doen mijden
die gij kondt vinden op uw levensbaan.(12)


De familie De Ridder met Alfons en Fine in het midden.

In Rotterdam was Elsschot een gelukkige huisvader. Maar volgens kleinzoon Jan Maniewski ging het vanaf de jaren dertig minder goed met zijn huwelijk. Hij was niet gelukkig met zijn vrouw en zocht het buiten de deur. Alfons De Ridder bleef ’s avonds laat weg en zwierf ook rond in Antwerpen. Dit zorgde opnieuw voor stof voor zijn literaire alter ego. Zo beschrijft Elsschot in Het Dwaallicht, zijn laatste prozawerk, een tocht samen met Afghanen op zoek naar een prostituee in de straten van Antwerpen.(13) Zijn bekendste romance was die met de 39 jaar jongere dichteres Liane Bruylants, die met tussenpozen stand hield tussen 1946 en 1951.(14) Verschillende vrouwen in Blauberg mochten, volgens de overlevering, ook nader kennis maken met Alfons.(15)

Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’ ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging tekeer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood.

(Rotterdam, 1910)(16)

1 Willem Elsschot, Verzameld werk (Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2005), 755.
2 Vic van de Reijt, De ontdekking van Elsschot (Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2019), 125.
3 Koen Rymenants, Een hoopje vuil in de feestzaal: Facetten van het proza van Willem Elsschot (Antwerpen-Apeldoorn: Garant, 2009), 106.
4 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 108.
5 Elsschot, Verzameld werk, 163.
6 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 53-54.
7 Koen Rymenants en Carl de Strycker, “Willem Elsschot, dichter: Ter inleiding,” in Willem Elsschot Dichter: Alle Verzen verzameld en toegelicht, red. Koen Rymenants en Carl de Strycker (Kalmthout: Polis, 2017), 12-15.
8 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 54, 110.
9 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 112-113.
10 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 105.
11 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 105.
12 Elsschot, Verzameld werk, 742.
13 Van de Reijt, De ontdekking van Elsschot, 139.
14 Vic van de Reijt, Elsschot. Leven en werken van Alfons De Ridder (Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011), 321-324.
15 Theo Aerts, interview door Pieter-Jan Parrein, 29 mei 2020.
16 Elsschot, Verzameld werk, 755.